Limburg

Al jaren trekt onze club in juni naar Limburg of de Ardennen. De Limburgse heuvels en de Ardense hellingen oefenen op wielertoeristen blijkbaar een aantrekkingskracht uit. Ik denk daar wel een verklaring voor te hebben. Volgens mij leeft diep in het hart van iedere fietser een droom:een klimmer te zijn die iedereen uit het wiel rijdt. Maar hoe vaak is die droom niet wreed verstoord. Van gevleugelde klimmers is bij een bezoek aan de heuvelachtige gebieden zelden sprake. Integendeel. Het hele jaar door wemelt het op de Zuid-Limburgse wegen van zwoegende fietsers Soms worden ze meewarig nagestaard door Limburgers die boodschappen doen, op zaterdag hun auto wassen of in hun tuin bezig zijn. “De Mergellandroute is toch een autoroute,” zie je ze denken.

Die Mergellandroute hebben we met de club nooit helemaal gefietst, we hebben ons steeds beperkt tot een deel ervan. Onze uitvalsbasis was aanvankelijk Café ’t Straatje in Hulsberg. Ik had dit adres gekregen van mijn goede vriend Kees Verstraten die jarenlang actief is geweest bij RTC De Bidon in Roosendaal.

Het café in Hulsberg was zeer gastvrij en wij genoten er na een lange en zware fietstocht van een lekkere pint en een heerlijk diner. ’s Morgens reden we vanuit Hulsberg rechtstreeks naar Valkenburg en beklommen daar als opwarmer de Cauberg. Daarna pakten we het vervolg van de Mergellandroute op en beklommen alle heuvels die ook in de Amstel Goldrace op het programma staan: de Eyserbosweg, het Vijlerbos, de Huls bij Simpelveld, de Fromberg en noem maar op. Het zweet breekt mij uit, als ik aan die hellingen denk.

Enkele keren ben ik mee geweest op verkenning. In een klein groepje weerde ik me wel op de heuvels, maar zodra we met de hele meute aan beklimmingen begonnen, kreeg ik mijn benen niet meer rond. Al die kilo’s teveel speelden me danig parten. In het begin wachtte iedereen bovenop een helling op de achterblijvers. Als de laatste man boven was, begon het gejakker meteen opnieuw. Binnen de kortste keren was ik dan natuurlijk weer gelost. Na de zoveelste helling was wachten voor de eersten niet meer doenlijk en dan reed ik in mijn eentje of met enkele lotgenoten op een sukkeldraf door het mooie Limburg, vloekend en zuchtend.

Een keer wilde Dré Maas in de bezemwagen ons leed verzachten door uit de luidsprekers op zijn bus vrolijke muziek te laten schallen. Ik werd daar helemaal dol van. Toen wij bij een verkeerslicht moesten wachten, rukte ik het portier van de bus open en riep: “Agge nou die meziek nie afzet, schop ik die luidsprekers van oewe waoge!”

Dré trok helemaal wit weg en wist niet hoe vlug hij de muziek af moest zetten. Naderhand vertelde hij me, dat hij zich rot geschrokken was van mijn reactie. Die had hij van mij nooit verwacht. Hij wist niet hoe ellendig ik me als niet-klimmer voelde daar in Limburg.

Aan sommige klimmen leek geen einde te komen. Bijvoorbeeld aan de Huls bij Simpelveld. Ik telde op de verkenning het aantal lantaarnpalen aan de rechterkant van de weg, zodat ik bij een latere beklimming van die bult wist, wanneer het einde van de ellende op komst was.

Maar ik was niet alleen met mijn verdriet. René van Dorst, toen nog niet de afgetrainde atleet zoals wij hem nu kennen, zuchtte weleens in mijn gezelschap evenals Kees Baselier. En ook was er die forse man uit Zegge, Konings (zijn voornaam ben ik vergeten), die net als ik zweette als een postpaard. Piet Verhaerdt is ook nooit een klimgeit geweest. Ik herinner mij, dat hij halverwege de Gulpenerberg zijn fiets weggooide en uitriep: “Ze zoeken het maar uit!”

Voor onze eerste excursie naar Limburg had ik een wiel met een bergpignon aangeschaft. Toen ik daarmee vrijdags op mijn helemaal nagekeken fiets een proefrit wilde maken, sloeg bij het schakelen mijn derailleur in het achterwiel en waren een stuk of tien spaken naar de vaantjes. Ik ging op hoge poten naar de deskundige fietsenmaker die me dit gelapt had. (Zijn naam zal ik maar niet noemen; hij heeft vrouw en kinderen die er niks aan kunnen doen) Die verzekerde mij, dat hij alles in orde zou maken. ’s Avonds om kwart over elf had ik weer een bruikbaar achterwiel.

De volgende dag reed Anton Jacobs achter mij en hij zei, dat mijn fiets uit het spoor stond. Dat bleek bij nader inzien niet het geval, wel was het achterwiel zo ongelukkig opgespaakt dat het leek of mijn fiets niet spoorde. Dat moest mij ook nog treffen. Ik klom toch al verschrikkelijk slecht en daarbij moest ik ook nog de hele dag rondrijden met het idee dat mijn fiets niet deugde.

De volgende dag reden we een kort ritje naar Rilland en ik was zo kwaad over mijn mislukte uitstap naar Limburg dat ik op kop als een bezetene tekeerging. “ Eej! Nie zo aard!” en “Wa mekeerde gij vandaog?” werd er verschillende keren geroepen. Zo haalde ik beetje mijn gram.

Limburg is een mooi land, maar wat heb ik er afgezien.

Michel de Koning,