Cyclocross deel 2

CYCLOCROSS deel 2

 Het veldrijden kreeg onze club goed te pakken. We organiseerden enkele ontmoetingen met de zusterclub uit Huijbergen. De ene keer reden we op het gezellige parcours aan de Zuren Hoek, waar nu de golfbaan ligt. De andere keer reden we in het bos bij Tiest Nelen, komende uit de richting van

Café ‘Trapken Op’ links van de Weg naar Wouw.

Bij een van de crossen in Huijbergen dacht ik een aardige prestatie te gaan leveren. Ik stond in het vertrek op de tweede rij en had grote plannen. Bij de verkenning van het parcours was mij opgevallen, dat ik maar twee keer in een ronde van de fiets moest. We moesten ergens over een slootje en na een afdaling door een strook mul zand. Daar dreigde ik me natuurlijk als niet-lichtgewicht binnen de kortste keren vast te rijden. Dus moest ik maken, dat ik daar tijdig van de fiets ging.

De bedoelingen waren goed. Helaas sloeg het noodlot bij de start al toe. Een Huijbergse veteraan vlak voor mij trapte bij het startsein zijn ketting eraf en zo waren wij meteen op achtervolgen aangewezen. De Huijbergenaar moedigde mij aan maar kwam in moeilijkheden. Ik hoorde hem achter mij hijgen als een postpaard. Het was om bang van te worden. Eerst vloekte hij honderduit, later hoorde ik nog maar een zwak gegrom. Toen werd het stil. Zodra het terrein het toeliet, keek ik om. Ik zag, dat ik alleen was.

Aan inhalen van de kopgroep viel niet meer te denken. Het was nu een kwestie van niemand meer uit de achtergrond terug te laten komen. In de derde rond zag ik plots een fietser langs de kant van de weg liggen. Iemand boog zich bezorgd over hem heen. Ik moest even slikken. Mijn vluchtmakker van het eerste uur lag uitgeteld op de grond.

De ronde daarna was hij blijkbaar weer opgekrabbeld. Ondertussen kreeg ik het steeds moeilijker, vooral in de afdaling naar het mulle zand. De vermoeidheid sloeg toe en ik had niet meer de concentratie om op tijd van de fiets te gaan. Dus boorde ik mij machteloos in het mulle zand. Wat mij daarbij ergerde was, dat iemand foto’s stond te maken. Op zich kun je daar niks op tegen hebben. Maar deze man was in het gezelschap van twee kinderen die hem luidkeels aanwijzingen gaven. Een kereltje riep: “Deze niet, pa. Deze valt niet.”

Wat nondenonde: deze valt niet! Dat moest er nog bijkomen ook.

“Rustig nou maar,” sprak ik mezelf toe, “fietsen en niet gaan zeuren.”

De volgende ronde riep ik zelf maar: “Doe geen moeite. Ik val toch niet.”

Na afloop van de cross gingen we naar de prijsuitreiking in het clublokaal van de Huijbergse club, genoemd naar de te jong overleden Gerrie Knetemann. Het was er heel geanimeerd en op de terugtocht zei ik tegen Piet Maas: “Over twintig jaar vertellen we, dat we ’s winters met de fiets bergen beklommen of het niks was. En elk jaar zullen die bergen groter worden en wij er sneller tegenop gefietst hebben.”

 

Mijn beste studievriend Toine Buckens was in die tijd een trouw lid van de Huijbergse club. Met de voorzitter, Lucien Meeusen, maakte hij in de zomer pittige trainingstochten. Als hij daarover vertelde, brak het zweet mij al uit. Van deze Lucien Meeusen hoorde ik op een verjaardagsfeestje, hoe het afgelopen was met de Huijbergse veteraan die ik op apegapen had zien liggen. Hij was bij Lucien binnengedragen in de serre die hij pas aan zijn bungalow had gebouwd. Ze hadden de vrouw van de tobbende crosser gebeld en toen zij binnenkwam lag haar arme man stil te hijgen in een bank. Hij zag zo grauw als een onweerslucht en was er slecht aan toe.

En wat deed zijn vrouw? Die liet haar ogen heel belangstellend alle kanten uitgaan in de nieuwe serre. Ze raakte maar niet uitgekeken. Tenslotte zei ze: “Ik wist niet dat jullie zo mooi zaten te wonen.”

 Michel de Koning,