Cyclocross deel 1

CYCLOCROSS, deel 1 

Toen ik nog maar een klein manneke was, heette veldrijden cyclocross. Er waren in heel Nederland maar een paar wedstrijden en die werden bijna altijd gewonnen door Manus Brinkman. Hij fietst nog steeds voor zijn plezier en maakt in onze buurt zijn trainingstochten, als hij op Camping ‘Herelse Heide’ verblijft. Ook internationaal was er maar weinig belangstelling voor cyclocross. Jaren na elkaar werden een Fransman (André Dufraisse) of een Italiaan ( Renato Longo) wereldkampioen.

Toen het veldrijden aan populariteit won, kreeg het ook de toerclubs te pakken. In de tijd dat onze club werd opgericht, maakte het veldrijden soms deel uit van winterspelen, georganiseerd door andere clubs. Ook bij crossen van officiële wielerverenigingen deden niet-KNWU-renners mee. Dat kon toen probleemloos, omdat het om clubwedstrijden ging en niet om echte veldritten.

In onze club liepen ook nogal wat mensen warm voor het veldrijden. De man die het fanatiekst aan cyclocross deed, was ongetwijfeld Tiest Boden. In de winter was hij vaak in het veld en in het bos te vinden. Tegenover zijn boerderij lag een prachtig oefenterrein met aantrekkelijke hoogteverschillen. Maar ook op zijn eigen akker trainde Tiest regelmatig, zelfs als het al donker was. Wie het boekje over de Hel van de Pin heeft gelezen, kent het volgende verhaal al.

Wanneer Tiest na zonsondergang trainde bij hem op d’n akker, oriënteerde hij zich op een buitenlamp bij buren. Een keer ging het mis, toen er ergens anders een lamp brandde. Hij reed toen pardoes in een sloot.

Tiest had het ideale figuur voor een crosser. Hij was een lichtgewicht en een pezige man die ook een relatief klein verzet kon trappen. In het zand, het slijk en op bospaadjes was hij in zijn element. Dat was niet zo verbazingwekkend: hij was in het bos opgegroeid.

Onze club heeft ook veldritten in het bos tegenover de boerderij van Tiest gehouden. Een keer ging het om een onderlinge wedstrijd en een andere keer was de toerclub uit Huijbergen uitgenodigd. In de aanloop naar die wedstrijden ging ik het parcours verkennen. En zodra ik vijf minuten in het bos was, kwam ik Tiest Boden al tegen. Hij hield zijn trainingsparcours scherp in de gaten.

In die tijd reden we nog niet op mountainbikes; we legden crosstuben op de wielen van onze racefietsen en trokken zo het veld in. Het was wel een geploeter, maar dat gold voor iedereen.

Ik hield er wel van, hoewel ik mijn gewicht enorm tegen had. Ik herinner me nog goed, hoe Tiest mij in Huijbergen voordeed hoe ik door het mulle zand moest rijden. Hij snapte niet, dat ik daar al na een paar meter diep in weg zakte.

“A’k ’zakske meej èèrpels van tien kiloe op oewe rug ang, dan rijde gij oe eigen ok vast, wor,” zei ik hem toen. Maar hij bleef met zijn hoofd schudden.

Daar in Huijbergen reden we op de d’n bààrg van Tieste. (= Tiest Nelen) samen met de leden van de toerclub ‘Gerrie Knetemann’.

Het veldrijden werd steeds serieuzer. Er ontstond een echt programma voor West-Brabant. Onze club ging daar ook aan meedoen en kreeg een paar keer Nieuwjaarsdag als datum. De eerste cross ging bij Lindert van Tilburg door de wei, vervolgens door de braak ligende velden aan de Leliestraat die toen enkel nog maar aan de kant van de Kerkstraat huizen had. Daar lag ook een hoop met zand bij het huis in aanbouw van Adrie van Dorst en natuurlijk moesten wij daar overheen op onze terugweg naar de Plantagebaan door de gang bij bakker Matthijssen. Het had de dagen tevoren gevroren, daarna was het gaan dooien en opnieuw gaan vriezen. Het parcours was daardoor loodzwaar. In de wei bij Lindert van Tilburg kwam je haast niet vooruit. Achteraan de wei stond Janus van Luyk. Hij bood ons een slok uit zijn jeneverfles aan.

“Daor bekomde van, wor manne,” zei hij met de beste bedoelingen.

De meesten van ons bedankten beleefd, maar Kees van Agtmaal was niet te lui en nam af en toen een ferme teug.

De veldrit kende twee categorieën: die voor KNWU-renners en BWF’ers en die voor toerclubleden. Jac van Meer kon in het veld goed uit de voeten en heeft ook aan die cross in wei van Linderte mee gedaan. Hij kleedde zich bij ons om samen met de jonge Wies van Dongen. Na afloop van de wedstrijd, die Jac gewonnen had, gingen ze bij ons in bad. Toen ik later op de badkamer kwam, rook het daar naar van alles. Wieske van Dongen had alle flesjes en spuitbussen van ons Naantje even geprobeerd. Zoiets heb ik naderhand nooit meer geroken…

       Michel de Koning,