Afzien op de kasseien

AFZIEN OP KLINKERS EN KASSEIEN

Toen we met onze club begonnen te fietsen, moesten we het uiteraard gewoon stellen met de wegen van die tijd. Niks bijzonders, niet waar. Maar als je de wegen van toen vergelijkt met die van nu, blijkt, dat er heel wat veranderd is.

Je mag wel zeggen, dat er in de loop van dertig jaar behoorlijk aan de weg getimmerd is. Denk bij ons in de buurt enkel maar aan het fietspad tussen Wouw en Huijbergen en aan het fietspad van Hoogerheide naar Putte. Je kunt je nou amper voorstellen, dat die er twintig jaar geleden nog niet lagen. En je kunt je al helemaal niet meer voorstellen, hoe onveilig die wegen destijds voor fietsers in feite waren.

Aan de veiligheid voor fietsers wordt nog steeds gewerkt: het pas aangelegde fietspad tussen Huijbergen en Hoogerheide is daarvan een goed voorbeeld. Ook aan het comfort voor fietsers en andere weggebruikers is de afgelopen dertig jaar gedacht. Heel wat klinker- en kasseiwegen zijn vervangen door asfaltwegen. Dat is van lieverlee gebeurd. In een oogwenk zijn we ze vergeten: de slechte, hobbelige klinkerweggetjes en de kasseiwegen waar geen eind aan leek te komen. Want – zeggen we in West-Brabant – “Gemak vaor nie”.*  

Vlak bij Wouwse Plantage lagen kasseien, waar de Westelaarsestraat op Roosendaals grondgebied overgaat in de Rietgoorsestraat. Dat was een lange strook die pas ophield in de kom van Roosendaal aan de Wouwseweg. Op Hulsdonk, aan de Watermolenbeek en de Tolbergsestraat lagen ook nog jarenlang kasseien.

(De Moerstraatsebaan van Bergen op Zoom naar Moerstraten was ook zo’n eindeloze kasseiweg die nog helemaal doorliep naar Steenbergen. Net als in het Rietgoor lag hier een onverhard fietspad naast dat een stuk beter reed dan de kasseien, maar het risico van een lekke band was er erg groot. Als ik me niet vergis, was die weg al geasfalteerd, toen we in 1975 met onze club startten.)

De toerclubs uit West-Brabant hadden in de tijd dat onze club werd opgericht, veel meer contact met elkaar dan tegenwoordig. Enkele jaren achtereen hebben we samen met vijf andere clubs de West-Brabantroute gereden. Dat was een autoroute van 130 km over landelijke wegen tussen Bergen op Zoom en Breda. Buiten Wouw en onder Steenbergen bolden we over slechte keien aan de Spellestraat en de Gagelweg. Bij de Leur reden we over ontaard slechte klinkers net als onder Oekel (achter Rijsbergen). Nu ligt er overal lichtlopend asfalt. 

Op onze gewone zondagsritten kwamen we in de jaren zeventig ook wel ongemakkelijke wegen tegen. Als we van Nieuwmoer over Achtmaal naar Zundert reden, betekende dat zo’n 13 km bar slechte klinkerweg. Ook aan de hobbelige klinkerweg van Klein Zundert naar Sprundel hadden veel leden een hekel. En degene die ritten in die omgeving had uitgezet (= ik), moest dat soms horen.

Kasseien kwamen we vooral tegen net over de grens bij Zandvliet. Ik herinner mij een rit in die omgeving. Dré Maas en ik reden op kop en zaten op ons gemak te buurten. Toen we omkeken, zagen we niemand meer. We hadden de rest uit het wiel gereden.

Na enkele jaren werden de routes beter aangepast aan de verlangens van de leden. Wie echt af wilde zien, kon in het najaar meedoen aan een zaterdagrit over allerlei slechte wegen: de rit der verschrikking. Dat hebben we een paar jaar volgehouden. Ik herinner me, dat Erik van Hoof op zo’n rit in de buurt van Horendonk zijn stuur brak.

Rijden op kasseien is een apart vak, zeggen sommigen. Anderen zijn van mening, dat het een kwestie is van gewoon doen, niet nadenken. Ik denk dat ook. De laatste tijd fiets ik wel eens met oud-collega’s en die houden op met trappen, zodra er maar een paar meter kasseien voor de wielen komen. Dat schiet van geen kanten op natuurlijk. Als je gewoon doortrapt, ben je zo van die kasseien af.

Er zijn ook fietsers die op kasseien vrezen voor hun fiets. Wij reden lang geleden eens op weg van Ulicoten naar Meerle over de kasseien, toen onze overbuurman Jan Luyks begon te jammeren. Hij had de dag tevoren een spiksplinternieuwe Gazelle aangeschaft en dacht, dat zijn mooie fiets op de kasseien te lijden zou hebben. Ik moest daar om lachen en zei hem, dat hij zijn fiets maar meteen weg kon doen, als die niet tegen een paar kilometer keien kon. Ik heb nog nooit iemand zo boos naar mij zien kijken.

 De tijden veranderen en ook de wegen. Vandaag moet je de keien bij wijze van spreken met een lantaarn gaan zoeken. Ik mis ze, die kasseistroken: bijvoorbeeld aan Kijkuit tussen Halsteren en Lepelstraat en aan de Jan Bodenweg, daar niet ver vandaan. Maar ze zijn er nog wel.

    Michel de Koning.