De wielerbacil

DE WIELERBACIL 

Is het jullie ook opgevallen, dat sommige mensen over wielrennen nooit uitgepraat raken? En dat mensen die eenmaal op een racefiets geklommen zijn, die maar moelijk kunnen laten staan. In de wielerjournalistiek heet dat verschijnsel al sinds jaar en dag: aangestoken zijn door de wielerbacil.

Ook in onze club heerst de wielerbacil vanaf de oprichting. Dat lijkt opmerkelijk,omdat het merendeel van de eerste lichting leden bestond uit (ex-)voetballers. Maar als we de namen van die eerste leden nog eens doornemen, dan komen we tot de conclusie dat fietsen voor hen altijd al een grote hobby is geweest.

Jan Buermans en Stan v.d. Boom hebben vanaf hun jeugd op leven en dood strijd geleverd in de Kermisronde van ons dorp. Kees Baselier fietste in zijn jeugd naar alle wielerkoersen en zijn broer Jan heeft een tijd een KNWU-licentie gehad. Bij Piet Maas thuis was wielrennen een bekende vrijtijdsbesteding; broer Jos reed bij de KNWU niet onverdienstelijk. Over Tiest Boden hoeven we het niet te hebben: hij was al een fietslegende, toen onze club werd opgericht. Geen wonder, dat zoon Christ al jong mee kwam fietsen. Ad van Meer had net als Piet Maas een fietsende broer, die nu ook lid is van onze vereniging. Ad en Christ hebben allebei een tijd een licentie gehad. Ook Jan Hellemons, die bij onze club met fietsen begon, is wielrenner geweest.

Dat fietsen zit dus ook in de familie. Of moeten we zeggen: de wielerbacil zit in de genen? De vader van Jan Hellemons had in zijn jonge jaren één grote liefhebberij: wielrennen. Hij won de eerste Kermisronde van de Pin. En ik mag aannemen, dat jullie weten, dat een oom van Ad en Jac van Meer, een prachtige erelijst bij elkaar heeft gefietst.

Ook in het ledenbestand van vandaag duiken de namen van wedstrijdfietsers op. Voor wie het niet weet: de gebroeders Poldermans en Jacobs hebben talloze wedstrijden bij de BWF gereden, de mannen van Verhulst hebben ook nooit stilgezeten. En bij de jongste generatie leden komen tal van verdienstelijke wedstrijdrijders tegen. Hun namen zijn ongetwijfeld bekend.

Een naam wil ik nog noemen: die van Carel Vertegaal. Carel vestigde zich als smid en bezinepomphouder in ons dorp in de tweede helft van de jaren zestig. Hij was afkomstig van Zoeterwoude-Rijndijk, een dorp bij Leiden. Wat velen wellicht niet weten is, dat Carel ook wielrenner is geweest. Hij was lid van Wielervereniging Swift in Leiden. Een club die renners als Gerben Karstens, Arie van Houwelingen, Bart Zoet en Joop Zoetemelk heeft voortgebracht.

Carel was van de generatie Gerben Karstens en Bart Zoet. Hij kende West-Brabant al, voor hij er kwam wonen, omdat hij in onze regio heel wat wedstrijden heeft gereden. Hij was geen uitblinker, maar reed op karakter bijna altijd zijn wedstrijden uit.

Toen onze club een paar maanden bestond, meldde Carel zich aan. Als zijn pomp op zondag gesloten was, reed hij mee. Je kon merken, dat hij gefietst had aan de manier waarop hij door de bochten ging.

Onderweg maakte hij graag een praatje en hij had altijd veel belangstelling voor de streek. Maar één ding viel wel op: hij kon zich moeilijk oriënteren.

Een keer vroeg hij mij: “Van welk dorp is die kerk daar?”

“Da’s de kerk van Gastel,” zei ik, “daar ben ik in 1943 gedoopt.”

We maakten een lus door de streek en passeerden Gastel van een andere kant opnieuw in de verte.

Weer vroeg Carel: “Van welk dorp is die kerk daar?”

Waarop ik natuurlijk zei: “Van Gastel.”

“Ja, dat zal wel,” zei hij, “maar mij houd je niet voor de gek.”

Ik heb heel wat tijd nodig gehad om hem te overtuigen.

Carel was, toen hij in ons dorp woonde, een echte dierenvriend. Hij hield een heleboel huisdieren in zijn tuin achter de smederij. Daarom voelde hij zich op zijn ziel getrapt, toen wij een keer naar Waarde fietsten.

Langs de Scheldedijk zag hij een bewegingloos lam liggen. Hij zette zijn fiets aan de kant, sprong over de draad en onderzocht het dier. Het bleek dood te zijn. Iemand in ons gezelschap, ik zal maar geen naam noemen, zei toen tegen Carel: “Ik heb het wel gezien: je hebt hem de keel dicht geknepen.”  Er klonk meteen gegrinnik.
Het was als grap bedoeld, maar viel bij Carel helemaal verkeerd. Hij was heel verontwaardigd en achteraf bezien was dat terecht.

Carel heeft een aantal jaren met plezier meegefietst tot zijn leeftijd begon te tellen. Zijn drukke zaak liet het hem niet toe van tijd tot tijd te gaan trainen om zijn conditie op peil te houden. Met spijt in het hart moest hij afscheid nemen van onze club. Maar de wielerbacil is altijd bij hem blijven knagen. Als ik aan de pomp kwam, gingen onze gesprekken heel dikwijls over … fietsen. 

 Michel de Koning,