Met de club naar het buitenland

MET DE CLUB NAAR HET BUITENLAND 

Natuurlijk gingen de fietstochten vanaf de oprichting van onze club niet enkel over Brabantse wegen.
We kwamen ook in Zeeland en staken regelmatig de grens over. In navolging van andere clubs gingen we op zoek naar een reisdoel voor een fietsexcursie. We hoorden over clubs waarvan de leden fietstochten maakten in Zuid-Limburg of in de Ardennen.

Wij besloten kalm aan te beginnen en lieten ons oog vallen op het Pajottenland bij Brussel. Als mijn geheugen mij niet bedriegt, hebben we in dat heuvelland, het thuisland van Urbanus, in 1976 een tocht gemaakt, maar het kan ook een jaar later zijn geweest.

In 1976 waren de wereldkampioenschappen wielrennen voor junioren in Gooik gehouden aan de rand van het Pajottenland. Ik was daar met Jac. Van Dorst, ons Naantje en Ad van Meer gaan kijken. Jac. van Meer reed daar mee in een verschrikkelijke hitte en Nederland kreeg er een wereldkampioen zelfs bij de amateurs nooit doorgebroken is. Maar dat is een ander verhaal. Wie zijn naam nog kent, moet maar roepen.

Het Pajottenland, ook de streek van het befaamde gueuze-bier, sprak mij als fietser erg aan. De heuvels waren niet al te steil, de weggetjes waren er prachtig en hier en daar kon je je uitleven op echte kasseien. Het bestuur van de club keurde het reisdoel van onze eerste buitenlandse uitstap goed en zo kon het gebeuren, dat we op een zaterdag in juli (of augustus?) al vroeg bij Zomerlust waren. Van daaruit zouden we met een aantal auto’s vertrekken en er ging ook een volgbus mee. Daarvoor hadden we ons verzekerd van de medewerking van Bart Nouws.

Die kwam ongeveer drie kwartier later dan was afgesproken aanrijden en stelde bij binnenkomst in het clublokaal de historische vraag: “Zijn ze d’r aollemaol?”. Daarna sprongen we met zijn allen in auto’s en busjes en trokken naar de regio Brussel. In alle verwarring waren we vergeten duidelijk af te spreken, waar we precies zouden samenkomen voor het vertrek.

We zouden vanaf het marktplein van Asse vertrekken, maar dat wisten maar een paar mensen. Ik reed samen met René van Dorst in een auto met twee fietsen zonder wielen en een stel tassen rond tien uur de markt van Asse op en René en ik vreesden het ergste. Hoe zou iedereen in Asse terecht komen? Zou er van fietsen die dag nog iets terecht komen. Ik zag het al voor me: overal rond Brussel zoekende automobilisten die na een tijdje er mismoedig de brui aan gaven en terugreden naar de Pin.

Na twintig minuten wachten gebeurde er een echt wonder. Van alle kanten kwamen er auto’s aangereden met leden van onze club. Nu nog vraag ik mij af, hoe de chauffeurs allemaal te weten waren gekomen, waar ze moesten zijn.

Binnen de kortste keren zaten we op de fiets en reden we over glooiende wegen richting Gooik. Daar legden we een deel van het parcours van het WK junioren af en namen een strook van maar liefst vijf kilometer kasseien voor onze rekening. We picknickten in een wei en trokken toen richting Geraardsbergen. In Vollezeele sloeg voor mij het noodlot toe. In een lichte afdaling op een fietspad reed ik met twee wielen over een steen. Gevolg: twee lekke banden. Buiten Geraardsbergen stortten we ons op een schandalig slecht tegelfietspad in een afdaling en trokken we weer richting Asse.

Niemand van ons had de rit verkend, we hadden gewoon op de landkaart gekeken. De heuvels deden hun werk en bijna iedereen snakte naar het einde. Voor dat einde had ik een kasseienklim van drie kilometer naar Asse in mijn hoofd, maar zo ver is het niet gekomen. Een paar ongeruste leden dachten, dat we de weg kwijt waren en kregen de kortste weg naar Asse uitgelegd van enkele vriendelijke voorbijgangers. Ik vond het wel jammer, dat we die prachtige klim misten. Ik kan niet klimmen, maar zodra er kasseien onder mijn wielen komen, is het of ik een beetje kan vliegen. Maar ja, je kunt niet alles hebben in het leven.

De excursie beviel zo goed, dat we de volgende jaren steeds weer op stap zijn gegaan. Daarover valt nog volop te vertellen.

 Michel de Koning

Wouwse Plantage,