Voor de eerste keer ver van huis

VOOR DE EERSTE KEER VER VAN HUIS 

Tijdens het tweede seizoen van onze jonge club hadden we over het weer niet te klagen. In 1976 beleefden we een van de warmste zomers sinds mensenheugenis. Jac van Meer was in het voorjaar kampioen van Brabant bij de junioren geworden. Als kerverse kampioen kwam hij in Zuiddorpe flink ten val. Hij liep vervelende verwondingen op, die wel weer zouden genezen. Met zijn kampioenstrui was het droeviger gesteld; die was onherstelbaar beschadigd. Gelukkig voor Jac zorgde Henk Kokke, directeur van een firma in race-artikelen te Sint-Willebrord, voor een nieuwe trui.

Jac bleef enkele weken buiten competitie, maar had toch de belangstelling van de keuzeheren der KNWU getrokken. Hij werd geselecteerd voor het wereldkampioenschap, dat dat jaar in Gooik bij Brussel verreden zou worden. Om toch in training te blijven reed Jac op een zaterdag mee met een groepje Zomerlustleden dat een grote rit wilde verkennen. Jan Verbraak, Hans Boshouwers en ik maakten er deel van uit. En ik weet bijn a zeker, dat ook Jos Buermans meereed.

Jac reed met een van zijn armen in een stevig verband, wat hem niet belette Jan Verbraak af en toe een ondersteunend duwtje in de rug te geven, toen de afstand hem zwaar begon te vallen. De grote rit die ik voor de club in gedachte had, voerde ons over de Willemstad naar Oude Tonge en vervolgens over de Grevelingendam naar Bruinisse. Daar zouden we de pont nemen naar Zijpe en over Nieuw-Vossemeer en de Lepelstraat naar huis rijden.

Het weer was meer dan uitstekend en op de Grevelingendam hadden we er flink de vaart in. Opeens kwam Hans Boshouwers naast me rijden. Zijn gezicht stond bezorgd.

“Wanneer draaien we om?” vroeg hij mij.

Ik stond versteld. Waarom zouden we omdraaien? We waren net zo lekker op dreef.

“Ja, wanneer draaien we om?” herhaalde Hans zijn vraag.

Het bleek, dat hij niet wist, waar we beland waren. Voor zijn gevoel waren we echt te ver van huis gegaan. Als we nog verder reden, verdwaalden we en kwamen we die dag nooit meer thuis, moet hij gedacht hebben.

       “Daar ligt Bruinisse,” zei ik hem en ik wees op kerktorentje in de verte.

Maar de naam Bruinisse stelde Hans allerminst gerust. Bruinisse was voor hem blijkbaar een soort buitenland en de weg naar De Pin voerde volgens hem daar niet langs. Ik weet niet, of Hans zijn opleiding als beroepsmilitair toen al voltooid. Een ding is echter zeker: het ontbrak hem in die hoek van ons land op dat moment aan de nodige terreinkennis.

Toen we eenmaal met de pont overgezet waren en al vlug op Brabantse bodem kwamen, was Hans weer op zijn gemak.

Enkele weken later reden we op een zaterdagmiddag de verkende rit met de hele club. Het was gloeiend heet en onze kruiken waren al vlug leeg. Aan de pont bleek ook nog eens het restaurant gesloten te zijn. Op jacht naar koel, helder water ontdekten we, dat bij een huis de deur van de berging niet op slot was. Wij doken met zijn allen naar binnen en vulden onze kruiken onder een kraantje. Jan Buermans, bescheiden als altijd, had netjes zijn beurt afgewacht. Bij de kraan stonden inmiddels wat plassen: we waren niet allemaal even proper geweest. Net toen Jan als laatste zijn kruik stond te vullen, kwam de bewoner van het huis thuis. Jan kreeg natuurlijk geweldig op zijn donder. Gelukkig kwam op dat moment de pont aan en dat gaf Jan een goed excuus er maar meteen vandoor te gaan.

De dorst bleef ons kwellen. Kees van Agtmaal reed ons als een dorstige hengst kwijt. Toen we op De Klad aankwamen, zagen we zijn fiets voor het café op het grind liggen. Hij had die daar weggesmeten en was binnen meteen aan het bier gegaan. Wij hebben daar ook nog een tijd gezeten, voor we met lood in onze benen naar huis reden. De weg van de Lepelstaat naar huis is nooit zo lang geweest als in 1976. Kwam dat, omdat het toen nog degelijke, ouderwetse kilometers waren?

Michel de Koning,