Niet Sprinten

SPRINTEN OP HET DORP IS VERBODEN

Toen we ons in 1975 na enkele weken een echte club begonnen te voelen, kwam er ook behoefte aan een zekere afwisseling in de routes. Elk lid van RTC Zomerlust kreeg al gauw een blad met routebeschrijvingen voor de komen maand. Na een paar jaar kwam er dankzij penningmeester John Wagemaker een routeboek voor een heel seizoen.

In de eerste routebeschrijvingen stond na een tijd ook aangegeven, waar we ons tijdens de rit even lekker uit mochten leven, als we dat wilden. Het is een bekend verschijnsel, dat iedereen die op een racefiets kruipt, zich weleens een wielrenner waant. Dat gold ook bij ons in de club.

Het kwam in het begin dan ook niet zelden voor, dat we echt begonnen te jakkeren, zodra we de Pin naderden. Ieder weldenkend mens weet, dat dit niet geheel zonder risico is. Ook zagen we onderweg regelmatig, waar al dat gejak en gejaag toe kon leiden. Als we bijvoorbeeld van Hoogerheide naar Huijbergen fietsten, kwamen we regelmatig de Schelderijderstegen: eerst een groepje beulen die voor elkaar niet onder wilden doen, dan een groepje hijgende mannen in de achtervolging en ver daarachter minuten in het verschil zwetende mannen die eraf gereden waren. Ik zie ze nog rijden: mannen van rond de zestig met een rood hoofd en één oog dicht en maar trappen op het grootste verzet en niet meer vooruit weten te komen.

Onderling waren we het er roerend over eens, dat de Schelderijders een slecht voorbeeld gaven en al vlug bekenden we elkaar eerlijk, dat sprinten in de bebouwde kom – er lag toen nog geen middenberm – te gevaarlijk was. Op een vergadering viel dan ook het besluit, dat sprinten op het dorp verboden was. Nu nog staat dit in ons huishoudelijk reglement. (Afgelopen zondag, 29 mei 2005 herinnerde Toine van Beers ons nog daaraan, toen we in de Kerkstraat even echt op snelheid kwamen ...) 

Omdat er toch behoefte bleef aan een sprintje op zijn tijd, spraken we af, dat we iedere rit een stuk “vrij parcours” zouden hebben: een lange weg van een kilometer of twee. Bij sommige clubs uit de buurt deden ze dat ook.

De gevolgen lieten zich natuurlijk raden: de sprinters leefden zich uit en moesten daarna lang wachten op de rustige rijders. De sprinters hadden bovendien de smaak te pakken en dreven het tempo na de sprint weer op. Bij terugkomst in het clublokaal waren de de discussies niet van de lucht. Op vergaderingen kregen die een vervolg. De bekende kreet “We zijn een toerclub en geen raceclub” is niet van vandaag of gisteren. De betere fietsers vonden, dat de klagers door de week maar moesten gaan trainen. De klagers klaagden daarop nog harder.

Om dit probleem op te lossen verviel allereerst het “vrij parcours” en er kwamen ook vaste voorrijders. Die moesten de hele rit in een gelijkmatig tempo kop doen. Ze waren verder in het bezit van een fluitje om op kruisingen en andere gevaarlijke punten de groep te waarschuwen.

Ook ik reed af en toe met zo’n fluitje rond en één keer heb ik dat schandelijk misbruikt. We kwamen bij Nieuw-Vossemeer op een zaterdag voorbij het voelbalveld net buiten het dorp. Er was daar een wedstrijd bezig. Ik floot uit balorigheid op mijn fluitje. Een speler pakte met de hand de bal op, omdat hij dacht dat de scheidsrechter gefloten had. Hij had nog maar goed en wel de bal vast, of de scheidsrechter floot echt. Een golf van verontwaardiging ging over het voetbalveld. Achter ons hoorden we een hartgrondig gescheld, maar wij waren ondertussen lachend op weg naar de brug over het Schelde-Rijnkanaal. 

 Wouwse Plantage,

M.P. de Koning